En dan lees je: „De tranen kwamen in mijn ogen, het speeksel liep me vanzelf in de mond, mijn handen, mijn buik, mijn benen jeukten alsof ik last had van schurft, maar ik gaf me over aan die aroma’s tot het pijn deed, zo’n pijn dat ik er soms van lachen moest en soms wel kon janken als een hond.” Meteen besef je door zulke smachtende woorden dat Jacob in zijn echte leven amper te eten heeft. Wij, die door rivieren worden overstroomd, door hagelstenen zo groot als eieren worden gegeseld, en die winters als vogeltjes laten doodvriezen, ons en onze kinderen, wier huizen door oorlogen worden geplunderd en verbrand, en wier vrouwen en dochters worden verkracht en vermoord, en wie God nog ergere straffen oplegt om ons van onze erfzonden te bevrijden, van de macht van de Satan en Zijn op ons loerende verlokkingen.” Hoeveel leed kan een gewoon mens verdragen, denk je dan. Voor de een is het arm, voor de ander rijk, voor de een vol vernedering, voor de ander verheven, voor die daar door afkomst bepaald, voor hem hier door het lot.” Het levert hem de vraag op of je als arme sloeber maar beter niet geleefd kunt hebben of dat je juist het recht hebt om nog wat langer te leven in de hoop nog iets positiefs mee te maken.
Author: Michel Krielaars Redacteur Buitenlandse literatuur Profiel Michel Krielaars
Published at: 2026-01-15 12:41:57
Still want to read the full version? Full article