Met dat woord doelde hij op „de verwarring van spel en ernst”, typisch voor een gemeenschap „die in plaats van de knaap tot de man op te trekken, haar gedragingen aan die van de knapenleeftijd adapteert”. De cultuurhistoricus hekelde met dat woord allerlei uitwassen van de moderne samenleving, van de aanbidding van de jeugd tot de cultus van sport, „het reclamewezen” en het „oratorisch gesnork” in kranten. Heel mooi om na de zondige ook de zonnige kant van de Nederlandse cultuur eens te belichten, van Erasmus en Arminius, Willem de Zwijger en Rembrandt tot Thorbecke, Cleveringa en de Zuiderzeewerken – maar waarom zo infantiel?
Published at: 2026-03-16 14:00:00
Still want to read the full version? Full article